Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV2499

Datum uitspraak2006-02-22
Datum gepubliceerd2006-02-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/6552 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres op 8 mei 2005, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor haar geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het maatvrouwloon levert volgens verweerder een verlies aan verdiencapaciteit op van 0%.
Oordeel over het aangepaste CBBS.


Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage sector bestuursrecht eerste afdeling, meervoudige kamer Reg. nr. AWB 05/6552 WAO UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Ontstaan en loop van het geding Bij besluit van 9 maart 2005 heeft verweerder de uitkering die eiseres op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) ontving, met ingang van 8 mei 2005 ingetrokken. Bij besluit van 10 augustus 2005 heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 19 september 2005, ingekomen bij de rechtbank op 20 september 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Op 16 januari 2006 heeft verweerder op verzoek van de rechtbank een nader stuk in het geding gebracht. Het beroep is op 1 februari 2006 ter zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Fens, werkzaam bij ABVAKABO FNV. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde mr. T.A. Kralt en bezwaararbeidsdeskundige mr. F.J.C. van Kempen. Motivering Eiseres heeft zich op 17 mei 2001 vanuit de WW ziekgemeld wegens toegenomen migraineklachten. Eiseres ontving voorafgaand aan het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres op 8 mei 2005, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor haar geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het maatvrouwloon levert volgens verweerder een verlies aan verdiencapaciteit op van 0%. In beroep heeft eiseres – samengevat – het volgende aangevoerd. Eiseres heeft geen benutbare mogelijkheden. Zij is wisselend belastbaar, gedurende een aanval van migraine is zij bedlegerig en niet zelfredzaam. Alhoewel sprake is van hetzelfde medische beeld als bij eerdere beoordelingen, concludeert de verzekeringsarts dat er een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) moet worden opgesteld. In het licht van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 november 2004, onder meer gepubliceerd in USZ 2004/353, is onvoldoende onderbouwd waarom functies ondanks een aantal overschrijdingen toch zijn geduid. De nummering van de FML is niet gelijk aan de nummering van de functiebeschrijvingen. Er is geen sprake van een signalering wanneer de belasting in de functies de belastbaarheid van eiseres overschrijdt; bovendien heeft de FML beoordelingspunten die niet in de functiebeschrijvingen voorkomen. Ten aanzien van de functies productiemedewerker industrie en samensteller kunststofindustrie geldt dat eiseres beperkt is in het concentreren van de aandacht, waardoor zij de werkzaamheden niet volledig kan uitvoeren. Eiseres is voorts beperkt ten aanzien van trillingen, stoffen en gassen. Onvoldoende is gemotiveerd waarom de functie productiemedewerker textiel desondanks is geduid. De rechtbank vindt in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Zij neemt daarbij in aanmerking dat eiseres door de verzekeringsarts G.F.A.F. Slooff op het spreekuur is gezien. De verzekeringsarts heeft informatie bij de neuroloog opgevraagd. De verzekeringsarts heeft op basis van zijn onderzoek een FML opgesteld. De verzekeringsarts heeft eiseres onder meer beperkt geacht ten aanzien van concentreren van de aandacht, herinneren, sociaal functioneren, trillingsbelasting, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer aan de hand van de door eiseres naar voren gebrachte medische bezwaren de bevindingen van de verzekeringsarts beoordeeld. De bezwaarverzekeringsarts heeft eiseres op 18 juli 2005 op het spreekuur gezien. Deze arts heeft informatie van de neuroloog bij zijn oordeelsvorming betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft afgezien van lichamelijk onderzoek, hetgeen de rechtbank in dit geval aanvaardbaar oordeelt. In bezwaar zijn de bezwaarverzekeringsarts geen nieuwe medische feiten gebleken. Uit deze onderzoeken zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor eiseres geldende beperkingen te kunnen komen. Uit het gewijzigde Schattingsbesluit (Stb. 2004, 434) volgt dat in het geval van eiseres geen sprake is van de toestand van Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden (GDBM). Er is geen sprake van een ernstige psychische stoornis, waardoor eiseres in het geheel niet functioneert. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, onder meer blijkend uit CRvB 7 april 1999, RSV 1999/203, wordt een verzuim van twee maal per maand twee tot drie dagen (10 tot 20%) niet als excessief ziekteverzuim aangemerkt. Op basis van de gedingstukken concludeert de rechtbank dat eiseres circa 5 tot 6 dagen per maand zou verzuimen, hetgeen binnen de grenzen valt die door de CRvB zijn aangegeven. Eiseres heeft voorts in beroep geen medische informatie in het geding gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van beide verzekeringsartsen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts de conclusie van de verzekeringsarts mocht onderschrijven. Mede in verband hiermee acht de rechtbank het inwinnen van een medisch deskundigenadvies niet noodzakelijk. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling overweegt de rechtbank het volgende. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres heeft verweerder gebruik gemaakt van het aangepaste Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zoals dat door verweerder vanaf 1 juli 2005 wordt gehanteerd. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn bovengenoemde uitspraken van 9 november 2004 geoordeeld dat het CBBS aanvaardbaar is als instrument om in het kader van de WAO de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde te bepalen, zoals geregeld in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. In die uitspraken heeft de CRvB als één van de onvolkomenheden van het CBBS aangegeven dat het systeem, anders dan het geval was bij het Functie Informatie Systeem (hierna: FIS), er niet meer in voorziet dat zogeheten markeringen, dat wil zeggen signaleringen ten teken dat met betrekking tot een onderdeel of meer onderdelen van de functiebelasting sprake kan zijn van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde, op dat punt of die punten in het dossier terechtkomen. Aan de arbeidsdeskundige worden dergelijke markeringen door het systeem nog wel op het scherm gepresenteerd, maar ze komen niet meer terug in de geprinte versie van de CBBS-formulieren. Ook als gevolg hiervan is het door anderen dan functionarissen van verweerder niet op relatief eenvoudige wijze te controleren of terecht het standpunt is ingenomen dat de totale belasting van een functie binnen de medische mogelijkheden van een betrokkene blijft. Met het aanpassen van het CBBS heeft verweerder beoogd de onvolkomenheden die de CRvB in zijn uitspraken van 9 november 2004 heeft gesignaleerd, weg te nemen. Uit de in beroep door verweerder overgelegde rapportages en uit het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank op dat het CBBS op de navolgende punten is aangepast: 1. De volgorde en nummering van de items op het formulier Resultaat Functiebeoordeling komen overeen met die op de FML. 2. Op de lijsten met belastinggegevens in de functies wordt een rubriek (genummerd: 7) vermeld, waaronder die belastingpunten worden weergegeven die niet worden vergeleken met de FML, zoals "probleemoplossen". 3. Op het formulier Resultaat Functiebeoordeling worden de niet matchende items (dat wil zeggen die punten die geen onderdeel zijn van de automatische voorselectie) gemarkeerd met een asterisk ("*"). 4. Een “M” op het formulier Resultaat Functiebeoordeling geeft aan dat het systeem een mogelijke overschrijding heeft geconstateerd (dit kan ook een overschrijding van de normaalwaarde zijn), waarbij de geschiktheid voor de functie moet worden ondersteund door een nadere motivering van de arbeidsdeskundige of de verzekeringsarts. 5. Een “G” op het formulier Resultaat Functiebeoordeling geeft aan dat door de arbeidsdeskundige is vastgesteld dat de belasting in de functie valt binnen de in de FML aangegeven mogelijkheden. Een nadere motivering wordt in dat geval niet gegeven. In die gevallen is naar de mening van de arbeidsdeskundige evident dat de functiebelasting valt binnen de belastbaarheid van betrokkene. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat het aangepaste CBBS op het punt van transparantie niet mag onderdoen voor het voorheen gehanteerde hulpmiddel bij de schatting, het FIS. In dat systeem werd in de uitdraai van de geautomatiseerde voorselectie door middel van een “*” inzichtelijk gemaakt dat er sprake was van een signalering, te weten een mogelijke overschrijding van de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid in de geselecteerde functies. Op de gesignaleerde punten diende de arbeidsdeskundige steeds kenbaar, zonodig in overleg met de verzekeringsarts, te beoordelen of de grenzen van de belastbaarheid niet werden overschreden. De rechtbank stelt vast dat op de door verweerder gehanteerde formulieren de volgorde en nummering van de items op het formulier Resultaat Functiebeoordeling inderdaad overeenkomt met die op de FML. Tevens is op de lijsten met belastinggegevens in de geduide functies een rubriek opgenomen, waarin de belastingpunten worden weergegeven die niet worden vergeleken met de FML. De systematiek van het vermelden van een “M”, al dan niet gecombineerd met een “*” indien sprake is van niet-matchende items, op het formulier Resultaat Functiebeoordeling, gekoppeld aan daarbij behorende afzonderlijke motiveringen, acht de rechtbank in het algemeen een verbetering ten aanzien van de inzichtelijkheid en toetsbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder in het CBBS-systeem per 1 juli 2005 doorgevoerde aanpassingen de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan, dit met uitzondering van verweerders werkwijze met betrekking tot de met een “G” gemarkeerde items. Uit de door verweerder in beroep verstrekte informatie heeft de rechtbank begrepen dat een “G” op het formulier altijd is voorafgegaan door een “M”; de arbeidsdeskundige heeft de wijziging aangebracht. Daarbij wordt geen nadere motivering gegeven. Op die items valt, bij afwezigheid van een motivering, voor anderen dan de arbeidsdeskundige dan ook niet steeds op relatief eenvoudige wijze te controleren of terecht het standpunt is ingenomen dat de functiebelasting binnen de mogelijkheden van verzekerde blijft. Zoals ook ten tijde van het FIS gold, acht de rechtbank het aangewezen dat alle overschrijdingen van de belastbaarheid van een verzekerde worden voorzien van een schriftelijke toelichting van de arbeidsdeskundige en/of de verzekeringsarts, aan de hand waarvan duidelijk wordt dat een functie ondanks een gesignaleerde overschrijding toch passend wordt geacht. Dat door de vermelding van een “G” wel op eenvoudige wijze is te zien dàt er sprake is geweest van een signalering, zoals verweerder ter zitting heeft aangevoerd, komt onvoldoende tegemoet aan het vereiste van een deugdelijke en transparante motivering. Het belang hiervan is des te groter, omdat zowel bij de vastlegging van de medische mogelijkheden in de FML als in de functiebelasting reeds een bandbreedte is gehanteerd. De in het voorliggende geval door eiseres tegen de weergave van de items op het formulier Resultaat Functiebeoordeling aangevoerde gronden kunnen niet slagen, nu verweerder het CBBS-systeem zodanig heeft aangepast dat de volgorde en nummering van de items op het formulier Resultaat Functiebeoordeling overeenkomt met die op de FML. De arbeidsdeskundige heeft ten behoeve van de berekening van de restverdiencapaciteit van eiseres de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), samensteller kunststofindustrie (sbc-code 271130) en productiemedewerker textiel (sbc-code 272043) geduid. In bezwaar heeft de arbeidsdeskundige een nadere functiebeoordeling uitgevoerd, waarvan het resultaat is neergelegd in het formulier Resultaat Functiebeoordeling. Bij de voor de schatting gebruikte functies heeft de arbeidsdeskundige voor ieder item dat in de geprinte versie van de formulieren met een “*” en een “M” is gesignaleerd, een motivering opgesteld op het daarvoor bestemde formulier Notities Functiebelasting, terwijl de uitkomsten van het op 22 februari 2005 gevoerde overleg tussen de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts blijken uit de notities op de kritische FML en de Notities Functiebelasting. Blijkens het bestreden besluit heeft de bezwaararbeidsdeskundige aangegeven dat de beoordeling van de primaire arbeidsdeskundige correct is. Naar het oordeel van de rechtbank is in de Notities Functiebelasting en de daarop voorkomende aantekeningen genoegzaam gemotiveerd waarom de niet-matchende punten geen overschrijdingen opleveren. Voorts hebben de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige afdoende gemotiveerd waarom op de met een “M” gesignaleerde punten geen sprake is van overschrijding van de functionele mogelijkheden van eiseres op de in geding zijnde datum. Concentreren langer dan een half uur komt niet voor. De beperking op item 3.6.1 betreft betreft prikkeling door rook en gassen; hiervan is geen sprake. In de voorliggende zaak heeft verweerder in de bezwaarfase niet nader gemotiveerd waarom de belasting in de geduide functies op de met een “G” gemarkeerde items binnen de aangegeven mogelijkheden valt. Deze nadere motivering heeft op verzoek van de rechtbank in beroep wel plaatsgevonden. Daarbij is de rechtbank gebleken dat het bij de items met de aanduiding “G” niet in alle gevallen zonder meer evident is waarom dat onderdeel van de functiebelasting binnen de aangegeven mogelijkheden valt. Bij wijze van voorbeeld noemt de rechtbank het in de functie samensteller kunststof en rubberindustrie (sbc-code 271130) voorkomende item ‘klimmen’. In die functie komt dagelijks tijdens twee werkuren eenmaal klimmen voor van circa een meter achtereen (trapje van drie treden). Na overleg met de verzekeringsarts heeft de bezwaararbeidsdeskundige vastgesteld dat bij deze handeling, welke slechts enkele seconden duurt, voldoende tijd en ruimte voor eiseres bestaat om te anticiperen op een eventuele migraine-aanval. Zoals ook ter zitting door verweerder is erkend, valt bij een dergelijke motivering niet in te zien waarom dit item als ‘evident’ passend zou moeten worden beschouwd. Dat de aanvullende motivering eerst in beroep is gegeven, acht de rechtbank niet onaanvaardbaar, waarbij zij erop wijst dat voorheen bij de toepassing van het FIS naar vaste jurisprudentie genoegen werd genomen met een toelichting op de markeringen in de beroepsfase. Aan de hand van de beschikbare stukken en nadere motiveringen is naar het oordeel van de rechtbank in de beroepsfase ook op de met een “G” gemarkeerde items op genoegzame en toelaatbare wijze inzichtelijk gemaakt waarom de geduide functies voor eiseres passend worden geacht. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd voorts geen reden om te twijfelen aan de conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige dat de geduide functies voor eiseres passend te achten zijn. Alles overziend komt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres per 8 mei 2005 in staat was te achten de geduide functies te verrichten. Verweerder heeft de geselecteerde functies derhalve op goede gronden gebruikt voor de schatting. Aangezien eiseres met het vervullen van die functies een zodanig inkomen kan verwerven dat in vergelijking met het maatvrouwloon het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt, heeft verweerder de uitkering van eiseres terecht ingetrokken. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Rechtbank 's-Gravenhage, RECHT DOENDE: verklaart het beroep ongegrond. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Aldus gegeven door mrs. D.R. van der Meer, E.R. Eggeraat en C.F. Mewe en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2006, in tegenwoordigheid van F.P. Krijnen, griffier. Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage, Verzonden op: